gong.png

Zo’n tien jaar geleden deed Jack Verburgt mee aan een driedaagse workshop over muzikale gezinssculpturen. Hij was erg onder de indruk van deze werkvorm en besloot zich er verder in te verdiepen. Inmiddels heeft hij zich de werkvorm dusdanig eigen gemaakt, dat hij hem zelf – al ongeveer zes jaar – inzet bij zijn werk in de volwassenenpsychiatrie. Daarnaast geeft hij regelmatig workshops over het onderwerp. Dit boek kan gezien worden als een logisch vervolg daarop: Jack Verburgt beschrijft in duidelijke taal hoe hij de werkvorm toepast en wat de theoretische onderbouwing daarvoor is. Hij geeft voorbeelden uit de praktijk en beschrijft welke interventies de therapeut kan plegen. Het is belangrijk dat de therapeut die werkt met muzikale gezinssculpturen, in staat is om de cliënt te volgen in de weg die de cliënt kiest. Soms moet de therapeut daarvoor de eigen gedachtes van wat goed of nodig is op dat moment, kunnen laten varen. Jack schrijft: “Het werken met gezinssculpturen helpt mensen om kapitein te worden op hun eigen schip.”

Het boek heeft 48 pagina’s, is in heldere taal geschreven en leest erg prettig. De werkvorm focust op interactiepatronen binnen een gezin en kan zowel toegepast worden bij individuele therapie als bij groepstherapie. De cliënt die kiest om een opstelling te maken, is op dat moment de ‘hoofdpersoon’. Deze persoon kiest instrumenten die hij passend vindt voor de verschillende gezinsleden en zet deze in de therapieruimte. Hij creëert zo een opstelling van muziekinstrumenten die hij vindt passen bij hoe hij zijn gezin ervaart. Later vraagt hij groepsleden om plaats te nemen bij de instrumenten; deze personen representeren op dat moment die gezinsleden. Daarna improviseren de mensen met elkaar. Dit is vaak een confronterende gebeurtenis die de ‘hoofdpersoon’ op ieder gewenst moment stop kan zetten. Nu worden namelijk de interactiepatronen zichtbaar én hoorbaar die binnen het gezin gevormd zijn. Daarna wordt er over gepraat waarbij de therapeut er zorg voor draagt dat iedere deelnemer (ook diegenen die hebben geobserveerd) voldoende aandacht krijgt om zijn belevenissen te vertellen. Aan het eind vraagt hij de deelnemers afstand te nemen van de rol die ze hadden in deze sessie.

Het mooie aan de werkvorm vind ik onder andere dat het essentiële deel van deze werkvorm maar moeilijk in woorden te vatten is – net zoals het fenomeen ‘muziek’ moeilijk in woorden te vatten is. Op het moment dat er een opstelling gemaakt is en er geïmproviseerd wordt, gebeurt er iets magisch. Vaak is het namelijk zo dat de interactie tussen de mensen die improviseren een erg grote gelijkenis vertoont met de interactie in het gezin van de ‘hoofdpersoon’. Doordat de cliënt (of ‘hoofdpersoon’) deze interactiepatronen werkelijk waarneemt komt hij tot andere inzichten. De therapeut en de groepsleden kunnen hem daarbij helpen door op te merken wat ze gezien of gehoord hebben. Het is van belang dat de ‘hoofdpersoon’ dan weet dat hetgeen door anderen gezegd wordt, niet dé waarheid is, maar slechts de beleving en observatie van de anderen.

Jack spreekt duidelijk zijn hoop uit dat andere muziektherapeuten dit boek zullen lezen en net zo gefascineerd zullen raken door het onderwerp als hij. Hij hoopt dat ze zich verder in het onderwerp zullen verdiepen, en ja, dat ook zij de werkvorm binnen de eigen beroepspraktijk zullen integreren. Om dit te kunnen doen, zullen die mensen eerst de nodige workshops en trainingen moeten volgen.

Ik heb het boek met veel plezier gelezen en kan het zeker aanbevelen. Jack geeft regelmatig workshops over deze werkvorm. Een mooie gelegenheid om het zelf te gaan ervaren!

Uitgave van De Gelderse Roos – Geestelijke gezondheidszorg, Wolfheze. (48 pagina’s)
Het boek kan besteld worden via J.Verburgt [at] degelderseroos.nl